Folklore en Symboliek rond Sint Maarten en Winterrituelen

De overgang van de zomer naar de winter is door de eeuwen heen een periode die rijk is aan symboliek en rituelen. Deze periode, gekenmerkt door afnemend licht en de naderende kou, werd en wordt nog steeds gevierd met tradities die vaak teruggaan op oude volksgeloof en mythologie. De beschikbare teksten bieden inzicht in een aantal van deze gebruiken, met name rond Sint Maarten, vastenavond, en de symboliek van dieren en natuurverschijnselen.

Sint Maarten en de Tradities van Licht

Sint Maarten, gevierd op 11 november, is verbonden met een reeks aan tradities die draaien om licht en het afweren van de duisternis. Zoals beschreven in de bronnen, stelt een jongen Sint Maarten voor met een bos stro en een band om armen en benen, een verwijzing naar de legende van de heilige en de uitdrukkingen in Sint Maartensliedjes over zijn ‘bloote armen’. De toortsen, die oorspronkelijk een onderdeel van de viering waren, zijn geëvolueerd tot kaarsjes, lampions, of uitgeholde rapen en pompoenen. Deze lantaarns worden gebruikt om langs de huizen te trekken, een praktijk die nog steeds voorkomt in Groningen en West-Friesland.

Het gebruik van lantaarns, ook wel ‘keuveltjes’ genoemd in West-Friesland, is verbonden met de zang van ‘Sinte Maarte Keuveltje’. De pompoenen, vaak met gezichtsvorm, worden gebruikt als lantaarns, hoewel de betekenis van de gezichtsvorm niet verder wordt toegelicht. In Brugge en rond Maaseik lopen kinderen met touwen bestreken met teer. In steden, zoals Venlo, worden vuren vervangen door kaarsjes. Een belangrijk element van de viering is het ronddansen en het springen over het vlammetje, een gebruik dat parallellen vertoont met de Sint-Jansvuren in de Donaulanden, waar men over de gloed springt.

Een lied, de ‘Sint Maartinsvogel’, wordt aangehaald als onderdeel van de traditie, met een tekst die verwijst naar het zoeken naar Heer Jezus en de ontmoeting met Herodes. Dit lied is verwant aan een ander lied uit Het Hofken der geestelijcke Liedekens, dat de komst van de drie koningen beschrijft.

Vastenavond en de Rituelen van Omkering

Vastenavond, de periode voorafgaand aan de vasten, is een tijd van omkering en uitbundigheid. Een opvallend gebruik is het haanslaan of gansrijden, waarbij een gemeste gans aan een lijn wordt opgehangen en ruiters proberen de kop van het dier af te rukken. Jongens op stokpaarden doen mee, gekleed in vederbos en klatergoud. Hoewel dit gebruik op veel plaatsen in onbruik is geraakt, wordt het nog steeds beoefend in Guttecoven en Rijkevoort. In Guttecoven wordt de gans aan een boom gehangen en slaat iedereen er naar met een sikkel; degene die de kop afslaat, wordt koning of koningin en trekt met de anderen langs de huizen om te bedelen.

Een Zwolsch lied, geciteerd in de tekst, verwijst naar Vastenoavend en de hoop op een partner.

Dieren en Mythologie in het Volksgeloof

De teksten onthullen een rijkdom aan volksgeloof rond dieren en hun symbolische betekenis. De wolf, bijvoorbeeld, wordt geassocieerd met daemonische krachten en de mogelijkheid om te veranderen in een weerwolf. De ‘Lodder’ in Brussel, de ‘Kledden’ in Aalst, en de ‘Klodde’ in Brecht nemen de plaats van de weerwolf in. Het aanleggen van de wolfshuid of het dragen van de wolfsgordel zou de transformatie mogelijk maken. Verhalen vertellen over het vallen van de wolfshuid uit de schoorsteen op het vuur, waarvan het verbranden verlossing zou brengen.

De kat was gewijd aan Frija, de godin van het huwelijk en de huiselijke arbeid, maar werd later door geloofsverkondigers als een satelliet van de duivel beschouwd. Ook de koekoek, een blijde lentevogel, kreeg een ongunstige betekenis, wat blijkt uit zegswijzen als ‘Loop naar den koekoek’ en ‘Je bent een koekoekskind’.

De specht lijkt deze negatieve associaties te hebben ontsprongen. Plinius noemde hem ‘Martius’, omdat hij aan de god Mars was gewijd.

De mythologie bevat ook reuzen, die in het volksgeloof verantwoordelijk worden gehouden voor de vorming van heuvels en bergen. Een Overijsselse sage vertelt over een reus die aarde in zijn mantel droeg en bij het overstappen bergen liet vallen. Vergelijkbare verhalen bestaan over reuzen die West-Friesland bewoonden, zoals Lem, Dibbald, Walberich, en Hillegond.

Symboliek van de Winter en de Zon

De overgang van de zomer naar de winter is een periode van afnemend licht, wat in veel culturen wordt geassocieerd met de strijd tussen licht en duisternis. De rituelen rond Sint Maarten en vastenavond kunnen worden gezien als pogingen om de duisternis te verdrijven en het licht te verwelkomen. De lantaarns, de vuren, en het ronddansen symboliseren de hoop op de terugkeer van de zon en de belofte van een nieuw begin.

De verwijzing naar de zon in de liederen en rituelen benadrukt de centrale rol van de zon in het volksgeloof. De zon wordt gezien als een bron van leven en energie, en de terugkeer van de zon na de winter wordt gevierd als een overwinning op de duisternis.

De Paard en de Goden

De tekst vermeldt de paarden van Wodan, Sleipnir, en de raven en wolven die hem vergezelden. Dit illustreert de connectie tussen dieren en goden in de Noorse mythologie. Het paard, de raven en de wolf werden gezien als symbolen van de goddelijke krachten en werden vereerd als heilige dieren.

Conclusie

De beschikbare teksten bieden een fascinerend inzicht in de folklore en symboliek rond Sint Maarten, vastenavond, en de winterrituelen. Deze tradities, die vaak teruggaan op oude volksgeloof en mythologie, zijn rijk aan symboliek en reflecteren de menselijke behoefte om de overgang van de seizoenen te markeren en de hoop op een nieuw begin te vieren. De dieren en natuurverschijnselen die in de verhalen en rituelen voorkomen, zijn niet alleen objecten van bewondering, maar ook symbolen van goddelijke krachten en de strijd tussen licht en duisternis. De teksten benadrukken de diepe verbondenheid tussen mens en natuur en de voortdurende zoektocht naar betekenis en spiritualiteit.

Bronnen

  1. Schrader, H. (1929). Volkskunde van Nederland. DBNL

Gerelateerde berichten